

De van boven naar beneden 80km lange South Ayrshire-kust tussen Stranraer en Ayr is eenvoudig te zien vanaf de winderige kustweg A77 die Stranraer verlaat om 48 km langs de lage, rotsige kust te lopen voor hij Girvan bereikt, een rustig kustdorpje waar er boten vertrekken naar Ailsa Craig in de Firth of Clyde.
Terug bij de kust loopt de A77 verder naar het dorp Turnberry, waar een van de beroemdste golfbanen ter wereld zich bevindt, en de A719 aftakt naar de 18de eeuwse Culzean Castle. Vanaf hier is het nog 19 km verder naar Ayr. Als je op de hoofdweg blijft, komt u langs de middeleeuwse overblijfselen van Crossraguel Abbey onderweg naar de oude marktstad Maybole, op ongeveer 14km van Ayr. Het hele gebied is doortrokken van banden met zijn beroemdste kind, Robert Burns. De connectie met Robert Burns wordt volledig benut.
We vertrekken richting Castle Kennedy
Castle Kennedy is gecentreerd rond het kasteel zelf en het dorp dankt zijn naam aan het kasteel. Het originele kasteel is gebouwd voor John Kennedy, de graaf van Cassilis in 1607, echter na een brand in 1716 werd het een ruïne. Lochinch kasteel werd gebouwd in de 1864 en is het huis van de familie Stair die vandaag nog steeds het kasteel bewonen. Het kasteel is niet te bezoeken maar wel te zien van uit de terras tuin. De Castle Kennedy Gardens werden in 1730 aangelegd door de tweede graaf van Stair en zijn medewerkers die de 75 hectare grond bewerkte en aanplantte. De tuinen zitten tussen twee natuurlijke Lochs, Loch Black en White Loch die wilde vogels zoals de grauwe en Canada ganzen aantrekken. White Loch is zo belangrijk dat het is beschermd. Black Loch beschikt over een Crannog - een door de mens veroorzaakt eiland met een verhoogde weg naar de kust (de verhoogde weg bestaat niet langer) een gemeenschappelijk kenmerk van de ijzertijd tot de Middeleeuwen in Galloway. De belangrijkste kenmerken van de tuin zijn haar wereld gerenommeerde rododendrons, naaldbomen, de palmbomen avenue en 2 hectare lelievijver. Castle Kennedy had een vliegveld in de Tweede Wereldoorlog die later veranderde in een passagiers luchthaven tot in de jaren 1950.
We trekken verder richting Stranraer waar we de A751 nemen richting Innermessan waar we dan de A77 volgen langs Loch Ryan. We reden verder door naar Girvan.
Girvan ( Schots-Gaelisch : Inbhir Gharbhain) is een burgh in Carrick , South Ayrshire, met een bevolking van ongeveer 8000 mensen.
Oorspronkelijk was het een vissershaven , het is nu ook een badplaats met stranden en kliffen . Girvan dateert uit 1668 toen het werd opgenomen als een gemeentelijke Burgh door een charter.
Ailsa Craig is een eiland van 219.69 hectare dat in de Firth of Clyde ligt. De blauwe hone graniet werd er gehouwen om er curling stenen van te maken. Het is een onbewoond eiland dat gevormd is uit de vulkanische lava. Het eiland was een toevluchtsoord voor katholieken tijdens de Schotse Reformatie in de 16e eeuw, maar is nu een vogelreservaat, er verblijven nu een enorm aantal jan-van-genten en een toenemend aantal papegaaiduikers. Het eiland ligt ongeveer op 16 km ten westen van Girvan. Het is 3 km in omtrek en heeft een hoogte van 340 m.
Alexander "Sawney" Bean was de patriarch van een veertig leden tellende clan in de 16e eeuw. Hij werd geëxecuteerd samen met zijn familie voor de moord op en kannibalisme van meer dan dertig mensen.
Het verhaal verschijnt in de Newgate Calender, een catalogus van het notoire Newgate Prison van Londen. Veel historici betwijfelen dat Sawney Bean ooit bestaan heeft, maar het verhaal is nu een legende en wordt gebruikt door de toeristenindustrie van Edinburgh.
Het verhaal over Bean vormde de inspiratie voor regisseur Wes Craven tot het maken van de horrorfilm The Hills Have Eyes.
Volgens De Newgate Agenda, werd Alexander Bean geboren in East Lothian tijdens de 14de eeuw. Zijn vader was een greppel graver en heggenscheerder, en Alexander Bean probeerde om de familiehandel over te nemen, maar al snel besefte hij dat hij weinig smaak voor eerlijke arbeid had.
Hij verliet het huis met een kwaadaardige vrouw die blijkbaar zijn neigingen deelde. Het echtpaar kwam terecht bij een kust-grot in Bannane Head in Galloway (nu South Ayrshire), waar ze onontdekt vijfentwintig jaar woonden.. (De grot is 200 meter diep en bij hoog water is de ingang geblokkeerd door het water, er wordt gezegd dat de huidige Bannane Cave, gelegen tussen Girvan en Ballantrae de grot zou zijn).
Hun vele kinderen en kleinkinderen waren de producten van incest en wetteloosheid. Het gebroed bestond uit acht zonen, zes dochters, achttien kleinkinderen en veertien kleindochters.
Bij gebrek aan gezond verstand voor eerlijke arbeid, bloeide de clan door het leggen van zorgvuldige hinderlagen 's nachts om er vervolgens individuen of kleine groepen te beroven en te vermoorden . De lichamen werden naar de grot teruggebracht waar ze werden uiteengereten en opgegeten.
Lichaamsresten werden ingepekeld, en weggegooid lichaamsdelen spoelden soms aan op nabijgelegen stranden.
De lichaamsdelen en verdwijningen van personen bleef niet onopgemerkt door de lokale dorpelingen, maar de Bean's bleven in de grotten overdag en gingen 's nachts op pad. De clan was zo gesloten en geheimzinnig dat de dorpelingen niet bewust waren dat er vijftig moordenaars in de buurt woonden.
Aangezien er meer belangrijke berichent van de verdwijningen werd genomen, werden verscheidene georganiseerde zoektochten gelanceerd om de beklaagden te vinden, één onderzoek nam nota van het veelbetekenende hol maar de mensen weigerden te geloven dat er mensen daarin konden leven. Gefrustreerd en in een verwoede zoektocht naar rechtvaardigheid, lynchten de stadslui verscheidene onschuldigen, en de verdwijningen gingen verder. De verdenking viel vaak op lokale herbergiers aangezien zij de laatste waren die de verdwenen mensen het laatst hadden gezien.
Op een noodlottige nacht, de Beans hadden een echtpaar te paard die van de markt kwamen in een hinderlaag gelokt, maar de man was bedreven in het gevecht, gewapend met zwaard en pistool viel hij de Beans aan. De Beans konden de vrouw in het conflict dodelijk op de grond krijgen en de werende man wilden ze overmeesteren toen een grote groep kermisbezoekers verscheen en de Beans op de vlucht dreven.
De clan werd levend gevangen genomen en in de ketens naar de Tolbooth gevangenis in Edinburgh gebracht, later werden ze overgebracht naar Leith en Glasgow, waar ze onmiddellijk werden geëxecuteerd zonder proces; de mannen werden hun genitaliën afgesneden, handen en voeten werden verbrijzeld om ten slotte bloedend te sterven, en de vrouwen en kinderen, na het kijken hoe de mannen stierven, werden levend verbrand.
De stad Girvan, die dichtbij de misdaadscène is gevestigd, heeft een andere legende over de kannibaalclan. Men zegt dat één van Bean' s dochters de clan uiteindelijk verliet en zich te vestigde in Girvan, waar zij een Hairy boom plantte. Nadat haar familie was vangen, werd de identiteit geopenbaard door boze lokale bewoners die haar aan de tak van de Hairy boom ophingen.
We reden verder naar Turnberry waar we de A719 namen richting Maidens om vervolgens een bezoek te brengen aan Culzean Castle.
Voor meer informatie over Culzean Castle klik hier.
Na ons bezoek aan het kasteel reden we een paar km terug richting Maidens. Een km voor Maidens slaan we linksaf richting Kirkoswald en volgen we de A77 naar Maybole. In Kirkoswald brachten we een bezoek aan het Souter Johnnie's Cottage.
lees meer...

Souter Johnnie's Cottage, zoals het bekend is, bleef in de Davidson familie tot 1920. Het werd toen overgedragen aan een commissie die toezicht hield op de restauratie, gefinancierd door Sir John Richmond of Blanefield. Het huisje werd vervolgens doorgegeven aan de National Trust for Scotland.
Souter Johnnie's Cottage onderscheidt zich door zijn rieten dak. De ingang is aan de achterkant, en dit geeft weer hoe het dorpsleven er uitzag aan het einde van de jaren 1700.Het huis werd gebouwd in 1785 en is gelegen aan Main Street, Kirkoswald. Hier woonde en werkte Souter Johnnie tot aan zijn dood in 1806. De kamer aan de achterkant van het huisje is gewijd aan de werkplaats van de Souter (Schots voor schoenmaker), compleet met vuur en alle hulpmiddelen die nodig zijn voor de schoenmakerij. Aan de andere kant van het huisje is een kamer ingericht als de salon, met een groot dressoir en vuur, en een slaapkamer, compleet met bedsteden langs een muur.
Na ongeveer 3 km ten zuidwesten liggen de ruïnes van (Crois Riaghail wat betekent: 'Cross van St Regulus') Crossraguel Abbey, ongeveer in 1240 opgericht.
Lees meer......
Crossraguel Abbey is nu een ruïne van een benedictijnse abdij, gesticht in de vroege dertiende eeuw door Duncan of Carrick, gelegen aan de zuidzijde van Maybole. De overblijfselen bestaan onder andere uit delen van de kerk, het klooster, het kapittelhuis, de woontoren van de abt en het poortgebouw.
Crossraguel Abbey heeft als moederhuis Paisley Abbey. De monniken zijn van de benedictijnse orde die zijn oorsprong vond in de Abdij van Cluny in Frankrijk. Duncan of Carrick gaf ergens in 1214-1216, voordat hij graaf van Carrick werd, land aan Paisley Abbey op voorwaarde dat er een abdij zou worden gesticht. In eerste instantie werd er slechts een kapel gebouwd bediend door de monniken van Paisley Abbey. In 1244 werd deze zaak voor de bisschop van Glasgow gebracht, die besloot dat er een abdij moest worden gesticht bij Crossraguel. De nieuwe abdij zou onafhankelijk zijn en mocht zijn eigen abt kiezen, maar Paisley Abbey mocht wel controleren of de regels van Cluny werden nagevolgd. Paisley Abbey bleef gedurende twintig jaar vruchteloos in beroep gaan tegen deze beslissing. De abdij werd gebouwd en het aantal landerijen nam toe in de eeuwen erna.
In 1250 werd de graaf Duncan of Carrick opgevolgd door zijn zoon Neil of Carrick, wiens dochter huwde met Robert Bruce, grootvader van Robert I van Schotland. Hun zoon, Robert Bruce, erfde door huwelijk het graafschap van Carrick met als middelpunt Turnberry Castle, gelegen acht kilometer ten westen van Crossraguel Abbey. Op die plaats werd vermoedelijk Robert I van Schotland geboren, waardoor de abdij uiteindelijk betrokken werd in de Schots-Engelse oorlogen. De abdij bleef hun graaf van Carrick trouw tijdens deze oorlogen. De dertiende eeuwse kerk werd ernstig beschadigd, maar werd steeds herbouwd en zelfs uitgebreid met de resten van het schip en de zuidmuur uit de originele, kruisvormige kerk die de kapel had vervangen.
De zestiende eeuwse duiventilIn uit 1404 werd geschonken door Robert III van Schotland aan Crossraguel met een document dat hun eigendommen bevestigde en hen eigen bestuur gaf. Dit betekende dat de abt alle rechtspraak mocht doen, inclusief de koninklijke rechtspraak over moord, brandstichting, verkrachting en roof. De abt werd hiermee de belangrijkste persoon in Ayrshire.
Eind vijftiende eeuw had de koning het recht tot zich genomen om de abten van de belangrijkste abdijen in het land te nomineren aan de Paus. Crossraguel Abbey behoorde hiertoe. In het begin werden niet-geestelijken genomineerd die bij verkiezing tot abt hun geloften deden; later werden leken tot abt. In 1520 legde William Kennedy, broer van Gilbert, de tweede graaf van Cassilis, zijn geloften af en werd abt. In 1547 volgde diens neef Quintin Kennedy hem op zonder de kloostergeloften af te leggen. Beide Kennedy's breidden de abdij uit. Zo werd de kerk in tweeën verdeeld door een stevige muur om het schip van het koor te scheiden. Het schip werd een Onze-Lieve-Vrouwekapel die werd bezocht door zowel de broeders als leken. Ook een woontoren en een poortgebouw werden in deze tijd gebouwd.
In 1560 werd de mis verboden ten gevolge van de reformatie en moest de abdij worden afgebroken. Hieraan werd geen gehoor gegeven - in 1562 werd de Hoogmis nog steeds gevierd - en de gebouwen leden weinig schade, in tegenstelling tot Paisley Abbey, dat verbrand werd, en Kilwinning Abbey dat tot de grond toe werd afgebroken.
Met de dood van Quintin Kennedy in 1564 eigende de vierde graaf van Cassilis zich de abdij toe en benoemde Alan Stewart als administrateur, die vervolgens de meeste tijd bezig was claims van anderen op de abdij te ontkennen. In 1587 stierf Alan Stewart. De tijd erna waren er nog twee administrateurs, namelijk John Vaus tot ongeveer 1616 en Peter Hewart tot 1617. De abdij ging toen over naar de bisschop van Dunblane. Er woonden toen geen monniken meer in de abdij.
Het schip werd in de zestiende eeuw tot Onze-Lieve-Vrouwekapel doordat er een muur werd gebouwd dat het schip van het koor scheidde. De zuidmuur is dertiende eeuws. De west- en noordmuren zijn voornamelijk veertiende eeuws. In de noordoostelijke hoek ligt de tombe van Lady Row uit 1530, die woonde op het nabijgelegen Baltersan Castle.
In de Cluny variant van de benedictijnse regels nam het beste te offeren aan God wat men had de belangrijkste plaats in. Dit uitte zich onder andere in de vorm van rijke decoratie in de kerk waar de kelken voor de mis zich bevonden en werden gewassen (de piscina) en de zetels van de celebranten (sedilia). Het oostelijk uiteinde van het koor is een polygonale apsis, een normale bouwstijl in Europa, maar zeldzaam in Groot-Brittannië. Bisschop Kennedy bouwde een dergelijke apsis in de St. Salvadorskapel in St Andrews.
Het kloostergangen en het kapittelhuis (met bewerkt plafond) zijn grotendeels intact gebleven. Het gros van de oostelijke en zuidelijke gebouwen zijn verdwenen, al zijn fundamenten en delen van de muren nog aanwezig.
Het veertiende eeuwse abt huis van twee verdiepingen is deels bewaard gebleven; aan de oostzijde van de bijbehorende binnenplaats zou zich de keuken kunnen hebben bevinden. De woontoren van twee verdiepingen, die het abt huis als persoonlijke residentie van de abt verving, stamt uit 1530 en werd gebouwd door William Kennedy.
De zuidelijke binnenplaats bevatte gebouwen zoals schuren, bakhuis en ronde duiventil. Tevens zijn er de fundamenten te zien van vijf kleine huizen, die vermoedelijk dienden in de vijftiende eeuw als privévertrekken van enige broeders of van enige weldoeners van de abdij.
Het poorthuis werd in de vroege zestiende eeuw door abt William Kennedy gebouwd in dezelfde tijd als de woontoren.
Na het bezoek aan de abdij reden we verder naar Maybole.

Het is een oude plaats, die het handvest van Donnchadh, graaf van Carrick in 1193 heeft ontvangen. In 1516 werd het een Burgh, maar bleef voor generaties onderworpen door de Kennedy ‘s, daarna aan de graaf van Cassillis en (later) markies van Ailsa, de meest krachtige familie in Ayrshire. De huidige markies van Ailsa woont in Cassillis House, net buiten Maybole. De voorouderlijke zetel van het graafschap van Ailsa is Culzean Castle, nu onder de bevoegdheid van de National Trust For Scotland en gelegen op slechts een paar mijl van Maybole. Maybole was de hoofdstad van het district van Carrick in vroegere tijden, en voor lang kenmerkend was door de familie herenhuizen van de baronnen van Carrick. Maybole kasteel, is nog steeds de zetel van de graaf van Cassillis. De openbare gebouwen zijn het stadhuis, de Ashgrove en de Lumsden huizen die bekend waren als armenhuis voor kinderen.
Cassillis House is een uitgebreid herenhuis die behoren tot de drie belangrijkste bouwperiodes. Het ligt aan de rivier Doon. Het oudste deel is een enorme langwerpige toren eventueel daterend uit de 14e eeuw. In de 17e eeuw, een vierkante trap-toren werd er aan toegevoegd en alle bovenstaande borstwering gerenoveerd. Grote moderne uitbreidingen zijn toegevoegd aan het huis, maar op zodanige wijze dat de origineel werken vrij verschillend zijn. Het vroegere kasteel heeft muren die meer dan 4m dik zijn aan de basis, ruw bepleisterde muren tot aan de borstwering van de vierde verdiepingen, waarboven de gebruikelijke zolderkamer verdieping is. De kelder is gewelfde, en er is een kuil of gevangenis die de dikte heeft van de basismuur. Het is eigendom van de markies van Ailsa.
Het Maybole Castle is nu het oudste bewoonde huis in de stad. Het zou gebouwd zijn in het midden van de zestiende eeuw (geen exacte datum kan worden gegeven, maar het is verondersteld dat het rond 1560 is). Het was het herenhuis van de graaf van Cassillis, dat het grootste deel van de wintermaanden in Maybole verbleef, en het was het grootste en mooiste van de achtentwintig heren huizen die werden beschreven door de Abercrummie in 1686.
Het werd gebouwd in de stijl van een typisch Schotse Kasteel, met vierkante toren en ronde torentjes, en sterk genoeg om de bewoners te beschermen tegen vijandige buren, die op dat moment talrijk aanwezig waren. Oorspronkelijk stond het aan het einde van de High-straat met de poorten van de binnenplaats gericht naar de straat. Het grootste deel van het gebouw is nu bezet door het postkantoor. De belangrijkste deur van de vierkante toren was oorspronkelijk aan de kant die uitgang gaf op de High Street. De grote zaal werd gebouwd boven gewelfde kelders, die nog steeds aanwezig zijn, en boven de zaal waren de slapende appartementen.
We rijden verder via de B7023 naar de A719 die terug langs de kust loopt richting Dunure met een klein haventje. Hier staat de ruïne van Dunure Castle. Na een blik op de Firth of Clyde reden we verder naar de Heads of Ayr en zo tot naar Alloway een voorstadje van Ayr.
Aan Culzean Bay heeft u het fenomeen van Electric Brae, een optische illusie. Het lijkt alsof je auto heuvelopwaarts rijdt, maar als je uitstapt, zal je merken dat je auto vooruit rolt.

Er is niet veel meer dan de Burnsmanie in Alloway, dat vroeger een klein dorpje was maar dat nu deel uitmaakt van de buitenwijken van Ayr en een belangrijke stopplaats op de Burns Heritage Trail.
Robert Burns (Alloway, 25 januari 1759 – Dumfries, 21 juli 1796) was een Schotse dichter. Hij is de bekendste dichter die in het Schots (niet te verwarren met Schots-Gaelisch) geschreven heeft. Zijn beroemdste gedicht is Auld Lang Syne.
Burns werd geboren in een arme boerenfamilie. Zijn ouders zorgden ervoor dat hij een goede opleiding kreeg toen hij jong was. Hij begon met het schrijven van poëzie in 1783, en gebruikte een traditionele stijl en het Ayrshirese dialect van het Schots. De gedichten werden lokaal goed ontvangen, en werden in 1786 onder de naam Poems, Chiefly in the Scottish dialect uitgegeven door een drukkerij in Kilmarnock. Hierdoor werd hij beroemd in Schotland en als gevolg hiervan bracht hij een aantal jaren door in Edinburgh. Maar zijn faam bracht verder geen geld met zich mee, en hij zag zich genoodzaakt terug te gaan naar de boerderij. Maar ook dat bleek niet winstgevend te zijn, en in 1789 ging hij voor de regering werken op de afdeling Douane en Heffingen.
Burns was vrijmetselaar, hij werd op 4 juli 1781 ingewijd in de St. David Lodge in Tarbolton en geldt als een van de meest illustere en vereerde van de Schotse vrijmetselaars. Robert Burns overleed op 37-jarige leeftijd door hartproblemen.

Het kleine tweekamer huisje werd met de hand gebouwd door Roberts vader William Burns, die uit Kincardineshire in oostelijk Schotland kwam. Hier leefde hij met zijn vrouw Agnes Broun. William was een harde werkende landbouwer en een zeer godsdienstige mens. Hij werkte vaak 17 urendagen om ervoor te zorgen dat de jonge Robert en zijn broer Gilbert een beter onderwijs konden hebben dan dat hij had geboden. Hij verbond zich samen met andere dorpsbewoners voor het aanwerven van een lokale schoolleraar.
John Murdoch was de eerste leraar die de jonge Robert formeel heeft onderwezen en hij was verbaasd hoe de kleine knul hele paragrafen kon citeren na het slechts een maal te hebben lezen. Het was hier in zuid Alloway dat het eigenlijke begon voor Robert Burns' met de gift van het schrijven, het was hier dat hij zijn eerste rijmen en liederen schreef. Lopend rond de gebieden Alloway, werd Robert gefascineerd door het plattelands leven en de natuur. Veel van die ontdekkingen zijn in zijn poëzie onsterfelijk gemaakt.
Het huisje op zich is liefdevol gerestaureerd. Er is een museum rond het plattelandshuisje die een grote collectie van originele manuscripten van Robert Burns herbergt. De beroemdste is die van het lied "Auld Lang Syne" dat vaak wordt gezongen door dronken zielen op oudejaarsavond. Het hele gebied is gedrenkt in het leven van Robert Burns. Het is vrijwel onmogelijk om te rijden rond het gebied zonder het zien van enige verwijzing naar de dichter.
Robert woonde hier totdat hij zeven jaar oud was, samen met zes broers en zusters. Ze verhuisde naar een boerderij in de buurt genaamd Mount Oliphant waar Robert, nog steeds een kind, moest werken als een volwassen man en lange uren kloppen. De werklast vereiste veel van de jongen wat nadelig was voor zijn gezondheid. Veel mensen geloven tot op heden dat het die zware werklast in het begin op Mount Oliphant heeft bijgedragen aan zijn vroegtijdige dood. Burns eerste liedje kwam tot bloei terwijl hij op Mount Oliphant woonde, "Knappe Nell". Geïnspireerd door een vriendin die werkte naast hem tijdens de oogst op de boerderij. Nellie Kirkpatrick was haar naam en zij was een van de vele vrouwen die hem ook inspireerde voor het schrijven van "Rabbies scrolling quill".
De 15e eeuw oude Brig O Doon werd beroemd door de dichter Robert Burns in het verhaal van 'Tam O Shanter'. Het gedicht vertelt van een lokale inwoner uit het gebied die terug kwam van een dagje marktbezoek in oude Ayr. Na een paar drankjes, passeerde hij in Alloway de Old Kirk (kerk) en struikelt over heksen. Hij rijdt in zijn wanhopige poging om te ontsnappen, met zijn grijze merrie Meg, over de brug in de hoop dat bij het oversteken van de brug de heksen niet zouden volgen door het water van de rivier Doon. Hoewel Tam aan hun klauwen ontsnapt, verliest Meg haar staart aan de greep van een heksen hand.
De Brig o ' Doon is de belangrijkste oversteek van de rivier tot in 1816 deze vervangen werd door een nieuwe brug gebouwd een paar honderd meter stroomafwaarts. Die nog steeds de hoofdweg is om via Alloway richting Maybole te rijden. Toen de 1816 de brug werd gebouwd was het de bedoeling om de oorspronkelijke Brig o ' Doon af te breken . Maar deze plannen werden afgeblazen voor het behoudt van haar eigen identiteit: Robert Burns.

Eerder verborgen voor de toevallige bezoeker aan de stad, de Auld Kirk is het meest geziene gebouw voor iedereen die geïnteresseerd is in de geschiedenis.
Er hangt zeker iets griezeligs over deze plaats. Zelfs op een heldere zonnige mei middag doordringt het licht nauwelijks door het dichte bladerdak van de overhangende bomen. De kerk hier werd gebouwd in de Middeleeuwen en het is eerlijk om te zeggen dat Robert Burns als een kleine jongen hier zou hebben lopen rond de grafstenen. Niets veel is veranderd, de bomen zijn groter gegroeid en het dak van de kerk is nu verdwenen. Het is een interessant gevoel hier te staan voor de kerk die niets meer dan paard en kar zag passeren.
De Auld Kirk is ook de rustplaats van Robert Burns vader William Burns. Overleden op13 februari 1784. De grafsteen is ingeschreven met zowel zijn moeders en vaders naam, hoewel Agnes Brown werd begraven in Boltons begraafplaats in West Lothian.
Het gebouw zelf dateert uit 1654 maar was er was al een kerk in Ayr sinds de Middeleeuwen, inderdaad, de overblijfselen van wat eens een machtige kerk was, gewijd aan St John The Baptist is te vinden in de stad.
Cromwell veroverde het gebied en bouwde er een fort, hij sloopte de kerk, maar met uitzondering van de toren. Hij gaf 1000 Merks sterling aan de stad ten behoeve voor de bouw van een nieuwe kerk, en die te bouwen in een gebied met invloed en geassocieerd met religieuze werken. De orde van de Black Friars vestigden zich hier in 1250 en later in 1480 overgenomen door de Grey Friars. Deze bleven tot in 1560 toen ze moesten vluchten ten gevolge van de Reformatie. Helaas werd het gebouw (naar men zegt met een mooie gekleurde brandraam) geplunderd door de lokale bevolking.
De Auld Kirk is lang het centrale gebouw in de geschiedenis van Ayr met de vele mooie grafmonumenten en gedenktekens die de kerk omringen en sieren het geeft je een echt gevoel van het historische karakter van deze oude Burgh. Met uitzicht op de rivier staat een prachtig gedenkteken die geplaatst in de muur van de kerk, gewijd aan de eerste predikant, Revd William Adair. Een populaire predikant in ieder geval, maar hij zal het best herinnerd worden voor de redding van de stad toen een schip met de pest rondzwalkte in Ayr Bay.

Het Burns monument werd gebouwd op de oevers van de rivier Doon, ontworpen door Thomas Hamilton. De eerste steen werd gelegd op 25 januari 1820, door de heer Alexander Boswell (later Sir) en met het volledige eerbetoon van de vrijmetselaars. Het werd geopend op 4 juli 1823. De kosten - was iets meer dan 3350 pond - bijeen gebracht door openbare inschrijvingen. Het monument bestaat uit 'een driezijdige kelder tellend basis van een Griekse zuilengalerij. De driezijdige aard van de base was bedoeld om de drie divisies van Ayrshire te symboliseren; Cunningham, Kyle en Carrick. De invloed is overwegend Griekse. De buste van de dichter op het terras op het zuidelijke deel van het monument werd gemaakt door de beeldhouwer Patric Park, in 1847. De omliggende tuin bevat ook standbeelden van 'Tam o' Shanter' en 'Souter Johnnie'. Jaarlijkse bezoeken ongeveer vijftig duizend mensen het memorial.
Het was tijd om terug te keren. We namen de B7024 richting Maybole waar we de B7023 volgen tot Crosshill en zo verder tot aan de B741 die we oversteken naar South Balloch. We rijden verder door het Changue Forest zo verder door het Glentrool Forest. Een groot deel van de weg loopt lang het Water of Minnoch. In Glentrool Village rijden we richting Bargrennan waar we terug op de A774 komen om zo richting te nemen naar Newton Stewart.
