

Achter het dorpsplein staan de rose en oker getinte ruïnes van Melrose Abbey oprijzend in het rivierdal. De abdij, die in 1385 door David I is opgericht, werd rijk door de verkoop van wol en huiden aan Vlaanderen, maar de bloei mocht niet lang duren; de Engelsen maakten Melrose regelmatig met de grond gelijk, het gewelddadigst in 1385 onder Richard II en onder de graaf van Hertford in 1545. De meeste overblijfselen dateren uit de tussenliggende periode toen bij een ingrijpende verbouwing de oorspronkelijke soberheid werd ingeruild voor een doorwrochte gotische stijl die geïnspireerd was op Noord-Engelse abdijen. De legende dat het hart van Robert de Bruce hier onder het raam is begraven, werd bevestigd teon een kistje dat het bevatte in 1966 publiekelijk werd opgegraven, hoewel de rustplaats niet in overeenstemming was met de wens van Bruce
De overblijfselen van Jedburgh abbey, midden in het centrum van de stad, dateren uit de 12de eeuw. De monniken, die profiteerden van koning Davids bescherming, ontwikkelden een extravagant complex op de helling naast het Jed Water. De kloostergebouwen staan onder een reusachtige zandstenen kerk. Tot het eind van de 13de eeuw ging alles goed, toen de macht van de Schotse koningen na de ddod van Alexander III begon af te nemen en de lange oorlog die daarop volgde. De abdij brandde vervolgens een aantal malen af en raékte ernstig beschadigd, waarvan het ergst door de Engelsen in 1544-1545. Het kloosterleven was echter al ten prooi gevallen aan corruptie en slechts een paar kanunniken bleven in de ruïnes van de abdij wonen tot het klooster in 1560 bij de Reformatie werd gesloten . De abdijkerk bleef nog drie eeuwen een parochiekerk en is bijzonder goed bewaard gebleven.Terug naar.....
Verborgen achter een krom-ming in de Tweed een paar kilometers ten oost-en van
Melrose, liggen de overblijvsels van Dryburgh Abbey op een prachtige locatie tegen een glooiende achtergrond van oude bomen en uitgestrekte gazons die de tinten van de muren prachtig doen uitkomen. De premonstratenzers, of nor-bertijnen, stichtten de abdij in de 12de eeuw, maar ze waren niet zo succesvol, of kennelijk zo devoot, als hun cisterciënzer buren in Melrose. Hun kronieken beschrijven nauwkeurig de eindeloze conflicten over land en geld. Bij een incident sloeg een 14de eeuwse kannunik, Marcus genaamd, de abt met zijn vuist neer. Later kreeg de abdij haar eigen folklore; Walter Scotts "Minstrelsy" beschrijft het verhaal van een vrouw die in de gewelven woonde met een kabouter die Fatlips heette. Alleen als het donker was kwam ze naar buitenom bij haar buren te bedelen en er werd gedacht dat ze gek was of van de duivel bezeten. De abdij , die vele malen verwoest en herbouwd is, kent verschillende architec-tonische stijlen.
Het compacte Kelso, aan de samenvloeiing van de Tweed en de Teviot, is gegroeid in de schaduw van de abdij, die ooit de rijkste en machtigste in zuidelijk Schotland was; De abdij werd in 1128 gesticht tijdens het bewind van koning DavidI(1124-1153), wiens beleid om kloosterorden te stimuleren weinig van doen had met spiritualiteit. De bisschoppen en monniken die David hier aanstelde, als ook in Melrose, Jedburgh en Dryburgh, waren de grensbewoners van zijn koninkrijk die hem hielpen zijn gezag in deze gebieden van twijfelachtige loyaliteit te handhaven. Zo begon een lange periode van relatieve stabiliteit in de regio waardoor abdijen konden opbloeien, totdat veelvuldige invallen van de Engelsen, die Kelso, drie keer aanvielen in het begin van de 16de eeuw (in 1522, 1544 en 1545), tot zijn ondergang leidde. De laatste aanval, die deel uitmaakte van de Rough Wooing (Ruwe verovering) onder leiding van de graaf van Hertford toen de Schotten weigerden een huwelijksovereenkomst te bekrachtigen tussen de zoon van Hendrik VII en de minderjarige Maria Stuart, was de ergste. De verwoesting was zodanig, vergeleken bij de Reforamtie, dat de overblijfsels van Kelso Abbey tegenvallen.
