
Old Scone, Perth
19de eeuw
Scone Palace is gebouwd in Georgiaanse stijl en heeft een rechthoekige plattegrond, die in de lengteas noordwest-zuidoost is gesitueerd. De hoofdingang bevindt zich aan de zuidkant van de lange, noordoostelijke zijde. Ten noorden van het paleis bevindt zich Moot Hill (ookwel Boot Hill genoemd) met daarop een neogotische kapel, grotendeels uit 1807. Erin bevindt zich een grafmonument uit 1618 gemaakt door Maximilian Colt ter herinnering aan David Murray, eerste burggraaf van Stormont. Ervoor staat een replica van de Stone of Scone. Het origineel bevindt zich in Edinburgh Castle.
Aan de oostzijde van de paleisgronden bevinden zich de oude stadspoort van Scone en het mercat cross (het koopliedenkruis) dat het marktplein markeerde.
Op de paleisgronden bevindt zich een hoge Douglasspar, gezaaid in 1826. Het zaad was uit Noord-Amerika gezonden door botanist David Douglas (1799-1834) naar wie de soort spar werd genoemd.
Ook bevindt zich op de paleisgronden een doolhof in de vorm van een vijfpuntige ster zoals voorkomt op het familiewapen van de familie Murray. Het ontwerp is van Adrian Fisher. De doolhof is 65,5 meter breed en bestaat uit 2000 beuken, waarvan de ene helft groen en de andere helft koperkleurig is.
Scone Palace herbergt onder andere kunstwerken van Anthony van Dyck, David Teniers de Jonge en Joshua Reynolds; meubilair van André Charles Boulle en Jean Henri Riesener, Robert Adam en Thomas Chippendale; klokken van Pierre-Philippe Thomire; en porselein van Sèvres en Meißen.
Op deze oude heuvel stonden vroeger andere gebouwen en er vonden ook toen al belangrijke gebeurtenissen plaats waaruit een mooie traditie is voortgekomen. Merkwaardigerwijs gaat het hier om dezelfde legende als die van de King-making Hill in Boedapest waar de koningen van Hongarije werden uitgeroepen. De legende vermeldt dat, om hun gebondenheid te betuigen, de afgezanten tijdens de ceremonie wat aarde uit hun eigen land in hun voet windsels of laarzen droegen. Dit verklaart twee van de vele namen voor Moot Hill - Omnis Terra (alle mansland) of Boot Hill (laars heuvel). Een andere, wellicht veel oudere naam is de 'Hill of Credulity' (heuvel van geloof), het was namelijk hier dat de Koning der Picten zich in 710 'aansloot bij de Romeinse Kerk'. Sinds de 6de eeuw was hier in Scone namelijk een bescheiden Culdee nederzetting van priesters. Scone was destijds de hoofdstad van het Pictische rijk en een koninklijke residentie. Kenneth II, koning der Schotten, die bekend stond als Kenneth MacAlpin en van moederszijde van Pictische koninklijke bloede was, heeft in 835 voor het Koninkrijk Scone gevochten en dit ook gewonnen, alhoewel op enig-zins slinkse wijze als men de overlevering mag geloven. Volgens de legende had hij de Pictische koning Dorstan en diens edellieden uitgenodigd voor een banket in Scone, "en wellicht misbruik makend van hun gulzigheid en overdadige inname van geestrijk vocht, zagen zij hun kans en verwijderden de bouten waarmee de planken waren vastgezet, zodat de Picten in de ruimten onder hun zitbanken vielen waar zij tot hun knieen in een vreemde val vast kwamen te zitten en niet meer tot opstaan in staat waren, en de Schotten hebben hen onmiddellijk allemaal afgeslacht, daar zij overal door elkaar lagen en door de overval verrast waren".
Het was dezelfde vastberaden heer, Kenneth MacAlpin, die vermoedelijk de Stone of Distiny naar Scone heeft gebracht.
Na een opeenvolging van Kings of Scots (allen gekroond in Scone) zien we dat, in 906, King Constantine op de Hill of Credulity afkondigde dat de religieuze wetten en gewoonten van de Keltische kerk van nu af aan van kracht zijn. Het Culdee College in Scone werd in 1114 vervangen door een klooster dat gesticht werd door Alexander I. Deze Augustinian Priory werd al gauw gepromoveerd tot abdij. De vroegere Pictische hoofdstad bezat nu niet alleen de Stone of Scone maar was tevens de plaats waar de 'Councils' of 'Parliaments' werden gehouden waar de 'Laws of the Land' uit voortvloeiden.
Scone werd rond 500 de hoofdstad van Pictavia. In de zevende eeuw vestigde de priesterorde Céli Dé, ook wel Culdees genoemd, zich in Scone net als in bijvoorbeeld Muthill en Dunkeld. In 710 besloot Nechtan, koning van de Picten, op Moot Hill in Scone dat de datum van Pasen moet worden berekend volgens de manier van de kerk van Rome en niet volgens die van de Columbaanse, Keltische kerk.
In 843 werd Kenneth I koning over Schotland inclusief Pictavia. Volgens de legende bracht hij de Stone of Scone mee, die op Moot Hill werd geplaatst. In 906 was de steen er in ieder geval; toen hield Constantijn II de eerste, schriftelijk vastgelegde raadsvergadering in Scone. De eerste officiële parlementsvergadering in Scone vond plaats in 1210. Tot halverwege de vijftiende eeuw zouden deze bijeenkomsten in Scone plaatsvinden. De Stone of Scone had zijn plaats in de Schotse kroningsceremonie. In 1292 werd John Balliol tot koning gekroond en vier jaar later nam Edward I van Engeland de steen in beslag als oorlogsbuit. De Schotse koningen werden zonder de steen nog steeds te Scone gekroond tot aan Karel II van Engeland in 1651.
Scone Abbey
In 1114 stichtte Alexander I een Augustijnse priorij in Scone. Het moederhuis was Nostell Priory in West Yorkshire. In 1163 of 1164 werd tijdens de regering van Malcolm IV de priorij verheven tot abdij. Scone Abbey viel onder het gezag van de bisschop van Dunkeld.
In 1559 aan het begin van de reformatie trok een menigte uit Dundee naar Scone Abbey om deze te verwoesten. John Knox wist dit in eerste instantie te voorkomen. De menigte kwam echter de dag erna terug en vernietigde Scone Abbey door deze in brand te steken. In 1580 werd het gebied van Scone Abbey aan de familie Ruthven van Huntingtower gegeven. Deze familie herbouwde het paleis van de abdij. William, de vierde Lord Ruthven, werd in 1581 benoemd tot graaf van Gowrie.
In 1600 was Alexander Ruthven, derde graaf van Gowrie betrokken bij de Gowrie Conspiracy tegen Jacobus VI. Het complot werd verijdeld en zijn landerijen van Scone werden door Jacobus VI geschonken aan Sir David Murray van Gospetrie. In 1604 werd Sir David benoemd tot Lord Scone en in 1621 tot burggraaf van Stormont. In 1658 gingen de titels van Lord Scone en Burggraaf van Stormont over op een andere tak van de familie Murray, die al de titel Lord Balvaird voerden. In 1776 werd William Murray, de vierde zoon van de vijfde burggraaf van Stormont, benoemd tot graaf van Mansfield.
Scone Palace
In 1803 begon David, derde graaf van Mansfield het paleis van Scone Abbey te herbouwen als Georgiaans paleis. De verbouwing kostte zestigduizend pond en duurde negen jaar. William Atkinson, een leerling van James Wyatt was de architect. In 1805 werd het dorp Scone zo'n drie kilometer verplaatst in verband met de aanleg van de nieuwe paleistuinen. John Claudius Loudon was de landschapsarchitect.
In 1939 werd Scone Palace gebruikt als meisjesschool en opvanghuis voor Poolse oorlogsvluchtelingen. In 1958 werd Scone Palace weer als residentie in gebruik genomen. In 1966 werd Scone Palace opengesteld voor publiek.

![]()