

Van Moffat kunt u drie prachtige routes nemen door de indrukwekkendste delen van de Southern Uplands. Van de drie routes, Moffat Water en Yarrow Water, Tweeddale en de Lowther Hills is de eerste de mooiste.
Lees meer...
Deze route loopt van Moffat naar Selkirk. In de noordoostelijke richting vanuit Moffat slingert de A708 zijn weg door de bossen en heuvels langs de lagere delen van het Moffat Water. Lang voordat de weg een ruiger gebiedt beklimt langs de voet van een somber dal dat wordt omgeven door een desolaat heidelandschap. Verderop, 16km van Moffat, vindt u de 60m hoge Grey Mare’s Tail waterval, die langs een rotsige bergspleet naar beneden valt, één van de mooiste plekjes in de regio. U kunt onder aan de waterval komen via een steil voetpad aan de linkerkant van het water, een klimtocht van ongeveer 10 minuten vanaf de weg. Er is ook een langere wandeling over de rechtse oever, voorbij het hoogste punt van de waterval en verder naar het afgelegen Loch Skeen. Terug op de weg en overstekend naar de Borders is het een paar kilometer verder naar een paar ijzige meren die het begin vormen van het Yarrow Water. Het kleinste meer Loch of the Lowes in het zuiden en het grotere St. Mary’s Loch in het noorden worden gescheiden door een smalle verbinding en hebben een schitterende ligging onder de omliggende heuvels. Deze plek was geliefd in de 19de eeuwse literaire kringen, vooral bij Walter Scott en zijn vriend James Hogg, de ‘herdersdichter van Ettrick’ die schreef: “Vaak had hij gezien, bij het krieken van de dag het oppervlak vanwaar de eenzame Lowes lag. Vaak sidderde zijn hart bij het vallen van de avond dit dal te aanschouwen, zo hemels en bont met haar bergen en heide en bomen naast Saint Mary verzonken in dromen”.
De twee kwamen samen om gedachten uit te wisselen in de Tibbie Shiels Inn, die aan de naam komt door Isabella Shiel, een formidabele en vermakelijke vrouw die hier de scepter zwaaide tot aan haar dood in 1878 op 96 jarige leeftijd. Nu is de herberg een beroemde kroeg op de Southern Upland Way. Volg voor een korte en aangename wandeling het pad vanaf de herberg langs de oostzijde van St. Mary’s Loch naar het Bowerhope Forest.
Vervolg de B709 juist voorbij Mountbenger die over de heide noordwaarts loopt naar Traquair House (het oudste bewoonde huis in Schotland). In Innerleithen rijd je dan richting Selkirk, deze loopt door het prachtige Tweed Valley. In Selkirk volg je de A707 die langs de rivier de Yarrow loopt terug naar Mountbenger. Een paar km, voorbij Selkirk kan je langs de B7039 naar Bowhill House gaan. Verder heb je de ruïnes van Newark Castle.
De Grey Mare's Tail is een spectaculaire waterval met een hoogte van 61m (200 ft). Het hele gebied rond deze watervallen behoort tot de National Trust for Scotland en is rijk aan wilde bloemen. Wilde geiten kunnen soms ook worden gezien. De site heeft aanzienlijke geologisch belang en is ongewijzigd gebleven voor honderden jaren. Het wordt ook herinnerd als de plaats waar de Covenanters toevlucht zochten tijdens koning Karel II zijn episcopaat in de late 17de eeuw.

St Mary's Loch is het grootste natuurlijke loch in de Schotse Borders, en is gelegen aan de A708 tussen Selkirk en Moffat. Het loch is 5 kilometer lang en 1 kilometer breed, en werd gemaakt door gletsjer erosie tijdens de laatste ijstijd. Het loch wordt gevoed door het Megget Water, die stroomt vanaf het Megget Reservoir, en is de bron van het Yarrow Water die ten oosten stroomt vanuit het meer om te fuseren met het Ettrick water boven Selkirk.
Het loch ontleent zijn naam aan een kerk gewijd aan St. Mary die ooit stond op de noordelijke oever, alleen de begraafplaats is nog zichtbaar. Volgens de lokale legende heeft het meer geen bodem, en het staat bekend als het koudste loch in Schotland. Onmiddellijk stroomopwaarts van St Mary's Loch is de kleinere Loch of the Lowes.
Tussen de twee Lochs ligt de Tibbie Shiel's Inn, een 18de-eeuwse herberg, die werd bezocht door de Border dichter James Hogg (1770-1835). Een standbeeld van Hogg staat dicht bij de herberg. De Southern Upland Way en Sir Walter Scott Way twee lange afstand wandelroutes lopen langs de oevers van het meer. De kleine nederzetting is Cappercleuch en is gelegen aan de noordwest hoek van het meer.

Het Tweed Valley Forest Park is het jongste Forest Staatsbosbeheer Park van Schotland. Opgericht in de jaren 1990, is het misschien wel het Schotse populairste en meest bezochte park.
Gelegen temidden van het prachtig landschap de Borders, omvat de Tweed Valley zeven bossen - Caberston, Cademuir, Cardrona, Glentress, Thornielee, Traquair (Innerleithen) en Yair. Er is een grote selectie van bewegwijzerde wandelroutes, paardrijden paden, wildlife mogelijkheden en tal van andere punten van belang voor de bezoekers die naar dit prachtige deel van Zuid-Schotland komen.
James Hogg werd geboren op een klein boerderijtje in de buurt van Ettrick, in 1770 en werd er gedoopt op 9 december, zijn werkelijke geboortedatum is nooit opgenomen. Zijn vader, Robert Hogg (1729-1820), was een pachter terwijl zijn moeder, Margaret Hogg (geboren in Laidlaw) (1730-1813), deze had een opmerkelijke verzameling van inheemse Schotse ballades. James was de tweede oudste van vier broers, zijn broers zijn William, David, en Robert (van oudste van de jongste). Robert en David zijn later geëmigreerd naar de Verenigde Staten, terwijl James en William hun hele leven in Schotland bleven.
James had weinig onderwijs genoten, en werd een herder, die in schrijnende armoede leefde, vandaar zijn bijnaam, ''The Ettrick Shepherd'. Zijn werkgever, James Laidlaw van Blackhouse in de Yarrow vallei, zag hoe hard hij bezig was om zichzelf te leren verbeteren, hem te helpen door het beschikbaar stellen van boeken. Hogg gebruikt deze om zelf te leren lezen en schrijven (iets wat hij had bereikt op de leeftijd van 14 jaar). In 1796 stierf Robert Burns, en Hogg, die het nieuws net te horen kreeg van het overlijden was aangeslagen, hij werd woest door het verlies. Hij worstelde om zelf poëzie te produceren, en James Laidlaw introduceerde hem aan Sir Walter Scott, die vroeg hem om te helpen met een publicatie getiteld The Minstrelsy of the Scottish Border.
Een standbeeld van Hogg staat langs de weg.
Scott werd geboren als zoon van een advocaat. Op tweejarige leeftijd overleefde hij polio, maar bleef daardoor wel de rest van zijn leven verlamd aan het rechterbeen. Hij werd aanvankelijk voor een belangrijk deel opgevoed door zijn tante Jenny, die met hem meereisde naar diverse kuuroorden en hem ook belangstelling bijbracht voor oude Schotse verhalen en balladen. Na een privé-opleiding begon Scott in 1783, op 12-jarige leeftijd met een klassieke studie aan de Universiteit van Edinburgh. Aansluitend studeerde hij rechten en begon in 1792, net als zijn vader, een loopbaan in de advocatuur.
Na een aantal niet beantwoorde liefdes, die hem zijn leven lang niet meer zouden loslaten, huwde hij in 1797 met Charlotte Mary Carpenter, de dochter van een Frans refugé. Hij werd in 1799 sheriff van Selkirkshire en later griffier van de hoogste Schotse rechtbank, posten die hij tot het einde van zijn leven zou bekleden.
Scott werd reeds tijdens zijn leven gezien als een der grootste schrijvers uit de wereldliteratuur. Hij heeft grote invloed gehad op latere literaire grootheden als Victor Hugo, Alexandre Dumas père, Aleksandr Poesjkin, Lev Tolstoj, Alessandro Manzoni en in België Hendrik Conscience. Naar hedendaagse maatstaven worden zijn romans vaak als te lang ervaren, met te veel zijpaden en wel erg conventionele, vaak aangeplakte eindes. Er is weinig aandacht voor suggestieve en psychologische aspecten. Ondanks de romantische context waarin hij zijn helden plaatst accepteert hij de mensen zoals ze zijn, zonder veel ontwikkeling. Zijn werken kenmerken zich daarentegen nog steeds door veel beweging en pathos. Scott is een rasverteller en met name ook in bewerkingen voor de jeugd en als basis voor verfilmingen hebben veel van zijn boeken de tand des tijds tot op de dag van vandaag weten te doorstaan.
Schots eerste literaire activiteiten betroffen vertalingen uit het Duits, onder andere Götz von Berlichingen van Goethe (1799). Zijn eerste succes had hij met poëtisch werk, met name met zijn driedelige The Minstrelsy of the Scottish Border (1802-1803) en de lange gedichten The Lay of the Last Minstrel (1805) en Marmion (1808), alle over historische Schotse gebeurtenissen.
Met het verschijnen van The Lady of the Lake (1809), een geromantiseerd verhaal over de ontmoeting van koning James V met de dochter van zijn vijand Ellen Douglas, begon zijn roem als romanschrijver en verhalenverteller. Deze roem steeg tot grote hoogten met het verschijnen van een lange reeks historische romans, die in twee categorieën verdeeld kunnen worden: op de eerste plaats de romans die zich bezighouden met de Schotse geschiedenis, door Scott Tales of my Landlord genaamd; hieronder vallen onder andere The Heart of Midlothian (1818, het verhaal van de valselijk van kindermoord beschuldigde Effie Deans tegen de achtergrond van de Porteous-oproer van 1736), en The Bride of Lammermoor (1819, het tragische liefdesverhaal van Lucy Ashton en de vijand van haar familie Edgar Ravenswood). Op de tweede plaats schreef hij een groot aantal romans die ontleend zijn aan de Engelse en continentale geschiedenis, de Waverley-romans genaamd, waarvan Ivanhoe (1820), Kenilworth (1821, over Amy Robsart) en Quentin Durward (1823) het meest bekend zijn.
In 1826 kreeg Scott te maken met een grote financiële schuld, ontstaan na het bankroet van de uitgeverij Ballantyne, waarvoor hij mede aansprakelijk was. Dit leidde tot een steeds snellere productie, waar de kwaliteit zijn latere romans nadrukkelijk onder te lijden had. Er wordt wel gezegd dat zijn grote literaire productie aan het einde van zijn leven zijn dood mede heeft bespoedigd. Na zijn dood konden zijn erfgenamen evenwel zijn schuld volledig delgen met de verkoop van zijn auteursrechten.
Sir Walter Scott is overleden in zijn huis Abbotsford House en ligt begraven -zoals het zijn wens was- in een tombe op het terrein van Dryburgh Abbey, gelegen aan de rivier de Tweed in de regio Scottish Borders.

Scott's View verwijst naar een uitkijkpunt in de Scottish Borders, met uitzicht op de vallei van de rivier de Tweed, bekend als één van de favoriete rust plaatsen van Sir Walter Scott.
Het uitkijkpunt ligt aan een klein weggetje, ten zuiden van Earlston vlak bij de A68 en ten noorden van het dorp St. Boswells op de helling van Bemersyde Hill. Het uitzicht ligt ongeveer 5 km ten oosten van Melrose. Het uitzicht op het westen, wordt gedomineerd door de drie pieken van Eildon Hill.
Onderaan het uitzicht punt, op de rotsen boven de rivier de Tweed, is een van de weinige overgebleven semi-natuurlijke bossen in het gebied.
Volgens een populair verhaal, Sir Walter Scott hield op deze plaats zo vaak halt op weg naar zijn huis in Abbotsford, dat zijn paarden zonder commando, hier telkens halt hielden. Na zijn dood in 1832, tijdens zijn begrafenis stoet kwamen ze voorbij deze plaats op weg naar zijn begrafenis in Dryburgh Abbey, zijn paarden stopte bij zijn favoriete plek waarbij hun meester een laatste blik op het Borders kon werpen. In feite, hoewel de rouwstoet deze kant passeerde, de halte te wijten was aan een ongeluk.
Robert Smail's Printing Works
Een twee verdieping tellend huis kijkt uit op de hoofdstraat, met het kantoor aan de rechterkant en de winkel met drukkerij aan de linkerkant. Robert Smail drukkerij is een volledig functionele Victoriaans boekdrukkerij in het kleine Schotse stadje Innerleithen, nu bewaard door The National Trust for Scotland als Industrieel erfgoed museum dat bezoekers de werking van een lokale drukkerij rond 1900 laat zien, terwijl het nog steeds orders voor drukwerk en briefpapier uitvoert.
De firma werd opgericht in 1866, het drukte voor de lokale gemeenschap en het bedienen van kantoorboekhandel, en tussen 1893 en 1916 publiceerde het een wekelijkse krant. Het bleef in de eigendom van de Smail familie, dat weinig moeite heeft gedaan om bij te blijven met de twintigste-eeuwse ontwikkelingen in de technologie, en, door middel van een initiatief van Innerleithen Community Council, onder leiding van Iain Henderson en Nettie Watson, werd gerund door de derde generatie, de eigenaar Cowan Smail bleef drukken tot hij met pensioen ging en het pand werd aangekocht door de National Trust for Scotland in 1986, het werd voor het publiek geopend in 1990.

De bezoekers worden door een uur durende rondleiding de verschillende fasen van het drukken getoond. Tevens krijgt men de kans om handmatig zetwerk te proberen, en op bepaalde momenten ook de gelegenheid om hun eigen werk af te drukken. Het gebouw is beschermd als een monumentaal pand.

Selkirk ligt aan de rivier Ettrick, een zijarm van de Tweed. Het was de vroegere hoofdplaats van graafschap Selkirkshire.
Selkirk heeft een onuitwisbaar stempel gedrukt op het verleden van de Schotse Borders. Vanaf de eerste Border Abbey tot het uitroepen van William Wallace, "Braveheart" als hoedster van Schotland. De verschillende namen van Bonnie Prince Charlie, de markies van Montrose en de Outlaw Murray hebben allen bijgedragen aan een unieke historische geschiedenis.
Selkirk heeft een oude geschiedenis. De Romeinen bouwden een fort een paar mijl ten zuid-westen, maar de heuveltop focus zich nu op de hedendaagse stad. Waarschijnlijk begon het leven als een site rond de kerk van de lokale Selgovae stam na hun bekering tot het christendom in de jaren 500 na C.
In 1113, de toekomstige koning David gebruikte de kerk als basis voor een Lindores Abbey als geschenk aan Selkirk. In 1128 verplaatst de Gemeenschap zich naar Kelso waar ze Kelso Abbey bouwden. Selkirk blijven groeien ondanks deze tegenslag, en had een Sheriff in 1258. En in 1301 verkreeg Selkirk een Peel, een koninklijk kasteel, dat aan de zuidkant van de hedendaagse stad werd gebouwd.
In de jaren 1400 bloeide deze rijke stad door handel te drijven via Berwick met Baltische havens, Selkirk had een reputatie door zijn schoenmakerij. Maar alles veranderde aan het begin van de 16de eeuw. Door James IV's onbezonnen invasie van Engeland dat eindigde met de slachting van de meeste Schotse adel evenals James zelf in de slag van Flodden op 9 September 1513. Met hem stierfen 79 van de 80 mannen in de Schotse rangen van Selkirk. En om het nog slechter te maken heeft het Engels leger dan de stad en de houten brug over het Ettrick Water verbrand.
De stad werd herbouwd en de schoenenindustrie hersteld zich in de late zestiende eeuw. Maar het is voor een andere industrie dat Selkirk het best bekend is. In 1767 de eerste wollen Mill opgericht met het produceren van garen voor het weven van Tartan stof.
Dramatische uitbreiding van de industrie nam plaats langs de vallei van het Ettrick Water in de eerste helft van de jaren 1800. In1869 waren er zeven wollen Mills in dienst waar in totaal meer dan 1000 mensen werkten, de meeste betrokken bij de productie van de tweed waarvoor Selkirk bekend werd.
De textielindustrie heeft meer dan een eeuw stand gehouden in Selkirk voordat het in verval kwam, de tekenen van deze industrie is te zien in de mooie stenen Mills gebouwen nog steeds op zoek zijn naar alternatieve toepassingen. Maar laat niemand je vertellen dat de industrie de stad heeft verlaten.
Het Halliswell's House Museum is gelegen in het centrum van Selkirk. De naam komt van Walter Halliwell, een 18de eeuwse pruik-maker die hier woonden, het museum brengt de geschiedenis van de stad. Het laat zien hoe mensen zouden hebben geleefd in krappe omstandigheden, maar ook te zien is een smederij en schoenmakers winkel, samen met een Victoriaanse school-kamer. Een tentoonstelling vertelt ook het verhaal met nuttige achtergrondinformatie over de Common Ridings. Ook op de display is de Flodden Flag te zien, gezegd word dat een gevangen soldaat de Standard teruggebracht heeft naar Selkirk om als enige lokale man terug te keren na de rampzalige Slag bij Flodden in 1513. Tijdelijke tentoonstellingen worden ondergebracht in de Robson Gallery.
Lees meer...
Even ten noorden van Moffat loopt de A701 aan de westkant van Annandale omhoog langs het indrukwekkende ravijn. Het smalle ravijn de Devil’s Beef Tub, die het best is te zien op ongeveer 10 km vanaf Moffat, ontleend de naam uit de tijd dat de vee stelende Reivers hun kudden hier verborgen. Walter Scott beschreef de plek toepasselijk in zijn roman Redgauntlet. Het ravijn was ook een handige schuilplaats voor de vervolgde covenanters tijdens de Killing Times van Karel II.

Voorbij de Tub steekt de weg over naar Tweeddale en bereikt al snel het kleine dorpje Tweedsmuir, waar een alternatieve route naar rechts afbuigt over de Tweedsmuir Hills naar St Mary’s Loch ( zie vorige route). Het 18 km lange eenrichtingsweg dat in de winter ontoegankelijk is, stijgt over de hellingen waarvan sommige 20 percent bedragen langs het Talla Reservoir, waar veel mannen het leven lieten toen zij in 1905 een watervoorziening voor Edinburgh bouwden. Naast het Talla reservoir heb je het ernaast liggende Megget Reservoir.
Volg je in Tweedsmuir de A701 dan kom je 2km ten noorden van Tweedsmuir langs de Crook Inn, ooit de kroeg van Robert Burns en een goede uitvalbasis om Broad Law te beklimmen, de op één na hoogste berg in de Borders. Achter het hotel is een werkplaatsje en ambachtscentrum met glasblaaswerk. Als u langs het breder wordende Tweeddale verder noordwaarts gaat komt u bij het dorp Broughton waar in de oude Free Church het John Buchan Center is gevestigd, die de schrijver herdenkt die hier zijn jeugd heeft doorgebracht. Nadat je Broughton hebt bezocht keer een paar km terug om de B712 te nemen richting Drmelzier, Stobo en Lyne. Onderweg kom je langs Dawyck Botanic Garden.

The Devil's Beef Tub is een diepe, dramatisch hol in de heuvels ten noorden van het Schotse stadje Moffat. De 500-voet (150 m) diep hol wordt gevormd door vier heuvels, Great-Hill ( 465 m), Peat Knowe, Annanhead Hill en Ericstane Hill. Het is een van de twee belangrijkste bronnen van de rivier de Annan, de andere is uit het naburige Hart Fell naar het oosten. Zijn ongebruikelijke naam is afgeleid van het gebruik ervan door de Border Reivers (grens ruiter), namelijk de Johnstone clan, waarvan de vijanden naar hen verwezen als "duivels", om gestolen vee te verbergen, ook wel genoemd als markies van Annandale's Beef-stand na de Heer van Annandale, hoofd van het plunderen "Loons" (hier betekent "jongens", in plaats van "gekken").
Op 12 augustus 1685 vlucht covenanter John Hunter die probeerde te ontsnappen aan zijn achtervolgers door de steile kant van de Beef Tub te nemen. Hij faalde en werd doodgeschoten op deze plek, hij is begraven in Tweedsmuir kirkyard (kerkhof). Een monument voor Hunter staat op het zuidwesten rand van de Beef Tub.
In zijn roman Redgauntlet, schrijver Walter Scott: "Het lijkt erop dat vier heuvels hun hoofden bij elkaar leggen, door het daglicht te sluiten uit de donkere holle ruimte tussen hen. Een verdomd diep, zwart, uitziende afgrond van een gat ". Scott beschrijft ook de vlucht van een highlander die vlucht na de nederlaag van de Jacobitische opstand in 1745; de soldaat rolt de heuvel te midden van een hagel van vijandelijk geweervuur, en ontsnapt. De Beef Tub is ook bekend als Loup MacCleran's naar de tuimelende highlander.
Het John Buchan Centrum is gevestigd in een oude kerk langs de A701 aan de zuidelijke rand van het dorpje Broughton in Upper-Tweeddale. Het vertelt het verhaal van John Buchan, 1e Baron van Tweedsmuir, en een van de meest duurzame en populaire auteurs van de 20e eeuw.
John Buchan wordt herinnerd als een productief auteur van een breed scala aan fictie en non-fictie boeken, en vooral voor het tot leven brengen van Richard Hannay in The Thirty-Nine Steps, de boeken die hij in serie uitbracht. Zijn volledige en formele titel aan het einde van zijn leven was The Right Honourable John Buchan, 1e Baron Tweedsmuir, GCMG, GCVO, CH, PC.
Buchan werd geboren in Perth, als zoon van een Free Church predikant. De familie verhuisde eerst naar Fife en vervolgens naar Glasgow, waar hij studeerde aan de Grammar Hutcheson's School. Hij ging naar de Glasgow University, en vervolgens naar het Brasenose College, in Oxford, waar hij een prijs voor poëzie won in 1898, op weg naar een First Class graad in 1899, het jaar waarin hij ook voorzitter van de Oxford Union werd.
Naast het schrijven van boeken, was Buchan ook diplomaat in Zuid-Afrika tussen 1901 en 1903, en nam toen een carrière in de uitgeverij alvorens betrokken te zijn bij de Britse geheime dienst tijdens de Eerste Wereldoorlog. Na de oorlog werd Buchan directeur van Reuters. Hij begon ook historische werken te schrijven, en werd voorzitter van de Schotse Historical Society. In 1927 werd Buchan verkozen als lid van het Europees Parlement als vertegenwoordiger van de Schotse universiteiten, en in 1933 werd hij benoemd tot General Assembly van de Algemene Vergadering van de Kerk van Schotland.
De Dawyck Botanic Garden is een botanische tuin in het Schotse Stobo, 13 km ten zuidwesten van Peebles. Sinds 1978 valt de tuin onder het beheer van de Royal Botanic Garden Edinburgh. Van februari tot en met november is de tuin voor het publiek opengesteld. De tuin heeft een oppervlakte van 25 ha, waaronder een stuk met natuurlijke vegetatie.
De tuin herbergt planten zoals Aceraceae, Berberidaceae, Betulaceae, Ericaceae, Fagaceae, Oleaceae, Pinaceae, Rosaceae, Tiliaceae, Rhododendron, Abies, Acer, Astilbe, Betula, Berberis, Cotoneaster, Fagus, Fraxinus, Galanthus, Hosta, Hyacinthoides, Larix, Ligularia, Meconopsis, Narcissus,Picea, Pinus, Prunus, Rogersiana, Sorbus, Spiraea, Tilia en Tsuga.
De tuin heeft meerdere bezienswaardige onderdelen. Het Azalea Terrace is een terras dat wordt omringd door rododendrons, die vooral in de lente in bloei staan. De Swiss Bridge is een stenen brug. Bij deze brug staan een Kalopanax en een douglasspar. De brug overspant de Scrape Glen, een vallei met een beek met stroomversnellingen. De Dynamo Pond is een vijver, waar de oudste Europese lork uit de tuin is te vinden. De Beech Walk is een laan die wordt omgeven door beuken. In de tuin is Italiaans beeldhouwwerk te vinden. De tuin beschikt over bezoekerscentrum met een café, een geschenkenwinkel en tentoonstellingsruimten.
Lees meer...

Ten westen van Moffat, ingeklemd tussen de M74/A74 en Nithsdale, bieden de Lowther Hills een ruig landschap met dicht bijeen staande toppen, dat kaal is tot de hei in bloei staat en dat snel stomende beekjes en smalle dalen herbergt. Het is een spectaculair terrein dat ooit bekendstond als “Gods schatkamer” vanwege het goud en zilver dat hier voorkwam. Er werd grondig gezocht naar deze mineralen door de verarmde koningen van Schotland die een verbod op de export legden en een monopolie afdwongen, dramatische maatregelen die het smokkelen alleen maar aanmoedigden. Er bevond zich hier ook lood, dat werd gewonnen vanaf de Romeinse tijd tot aan de jaren vijftig en het werd gebruikt bij de productie van aardewerk en glas.

Het 34 km ten noorden van Moffat in een woeste omgeving gelegen kleine Leadhills heeft een troosteloze uitstraling. De rijen huisjes van dit klassieke mijnstadje zijn door de mijneigenaars voor hun werknemers gebouwd, maar de bloeiperiode eindigde in de jaren 1830 waarna het dorp min of meer aan zijn lot werd overgelaten. Een paar kilometer verderop ligt het afgelegen en winderige Wanlockhead, dat met 457 meter het hoogste dorp van Schotland is, zelfs nog kleiner dan zijn buurman. Het deelt de Leadhills mijngeschiedenis, maar Wanlockheads pogingen om toeristen te lokken heeft de dorpen zeer verschillend gemaakt. Het Scotish Lead Mining Museum vereist zeker één tot twee uur, om te beginnen met het keurige bezoekers center, dat de ontwikkeling van de industrie en het aantal werknemers toont. Daarna zijn de hoogtepunten van het openluchtmuseum een begeleide rondleiding van de ondergrondse LochNell mine en een paar gerestorneerde mijnwerkershuisjes. U vindt hier ook een zeldzaam exemplaar van een houten stoommachine en industriële onderdelen, de meeste uit eind jaren vijftig, toen de loodmijnen met overheidssubsidie even opbloeiden. De eerste mijnen werden in de jaren dertig gesloten. Soms als je wat geluk hebt is ook de 18de eeuwse bibliotheek open, waarvan de boeken werden aangeschaft met vrijwillige bijdragen van de leden. In haar hoogtijdagen bezat de bibliotheek 2000 titels.

Het Lead Mining Museum is uniek in Schotland omdat het de enige voormalige loodmijn is die open is voor het publiek en waar je kunt zien hoe enkele van de meest spectaculaire mineralen gevonden werd in de Lowther Hills.
Volg de vriendelijke en deskundige gidsen van het museum en ontdek de schatten met inbegrip van een echte 18e eeuw lood mijn waar u kunt genieten van de sensatie van ondergrondse gangen. Baan je een weg langs het dorps pad naar de twee mijnwerkers huisjes en zien hoe de mijnwerkers echt leefden voor het verkennen van de op één na oudste abonnement bibliotheek in Europa, die onlangs een erkennings status kreeg voor de collectie boeken van nationaal belang. Bezoek vervolgens het bezoekercentrum waar u een prachtige weergave van rotsen, mineralen, goud, mijnbouw kunstwerken en werkende modellen van de mijnbouw machines zal ontdekken. En tijdens de maanden juli en augustus kunt u zoeken naar verborgen goud door te proberen volgens de oude techniek van gouden pannen goud te vinden.

De Wanlockhead Beam Engine is een negentiende-eeuwse houten waterbalanspomp, te bekijken in Wanlockhead.
Geschiedenis
Volgens traditie zouden de loodmijnen van Wanlockhead zijn ontdekt door de Nederlandse goudzoeker Cornelius de Vois, die in de jaren zestig van de zestiende eeuw actief was in Schotland. Er bestaat echter documentatie die aantoont dat er al aan het begin van de zestiende eeuw sprake was van loodmijnen in dat gebied. Vanaf 1675 werden de mijnen door verschillende partijen geëxploiteerd. In 1906 nam de Wanlockhead Lead-Mining Company de mijnen over. Niet lang na 1918 werden de mijnen gesloten, omdat ze te weinig opbrachten.
De loodmijnen dienden voortdurend gedraineerd te worden. Tot het begin van de achttiende eeuw werden handpompen gebruikt, die vervolgens werden vervangen door waterpompen, die door stoom werden aangedreven. In 1745 werd de waterbalanspomp geïntroduceerd. Een van de weinige in de 21e eeuw overgebleven houten exemplaren werd in de jaren zeventig van de negentiende eeuw geplaatst bij de loodmijn genaamd Straitsteps, die in 1675 was geopend door Sir James Stampfield.
Principe
De waterbalanspomp, of beam engine, werkte doordat water verzameld in een watertank op de heuvel naar een houten emmer werd geleid die vastzat aan de ene zijde van de balans. Zodra de balans doorsloeg door het gewicht van het water in de emmer, ging de andere zijde van de balans omhoog waardoor een (kleinere) hoeveelheid water uit de mijn naar boven kon worden gehaald. Het water in de balans werd via goten afgevoerd naar een nabijgelegen beek, zodat de cyclus weer opnieuw kon starten. Zo'n cyclus duurde ongeveer dertig seconden. Een voordeel van deze waterbalanspomp was dat deze zonder al te veel supervisie kon functioneren.